Interview met Fred Oudejans

Fred Oudejans
Fred Oudejans

Dit interview is afgenomen op 19 juli 2011.

Fred Oudejans is een geboren (1961) Beemsterling. Vanaf zijn geboorte, in het huis op de hoek van de Hobrederweg en de Jisperweg, had hij zicht op de Nachtegaal. Dat verklaart vermoedelijk zijn liefde voor deze molen.

Hij kwam als kind reeds bij de bekende Jan van Egmond. Jan van Egmond was een man die jeugd aan zich kon binden en het verleden op eerlijke wijze aan de jongere generatie overdroeg met daarbij vaak veel aandacht voor details en simpele alledaagse dingen. Naast interesse voor molens kon van Egmond ook over stoom en het leven van toen veel vertellen. Met molens werken heeft van Egmond nooit gedaan, maar geboren tussen de molens van de Heerhugowaard en later de Schermer heeft deze man zich een schat van wetenswaardigheden eigen gemaakt. Op 7-jarige leeftijd gaf hij Fred zijn verzameling ansichtkaarten met molens. Fred zijn liefde was hiermee gewekt.

Op 13 maart 1977 is hij begonnen als leerling op de museummolen in de Schermer. Hij leerde het vak van de daar werkende molenaars Jo Vooren, Joep Kempenaar en Arie Butterman. Toen Fred achttien was heeft hij zo snel mogelijk het diploma vrijwillig molenaar gehaald. In september 1978 is hij begonnen op de bovenmolen E in de Schermer. Hier is hij blijven draaien tot zijn trouwen in september 1986. Toen ging hij wonen en werken op zijn huidige molen; de bovenmolen G aan de Molendijk in de Schermer. In 2003 werd Aart Dorst, de beheerder en latere molenaar van bovenmolen E, ernstig ziek. Fred, die bij de gemeente Schermer werkte, bood het bestuur van de Museummolen aan om Aart Dorst tijdens zijn ziekte te vevangen. In 2004 en 2005 is hij daarom door de gemeente Schermer aan de Museummolen verhuurd. Fred kwam in 2006 dienst van de stichting Museummolen en werkt sindsdien op deze museummolen.

Op een dag in 1977 kwam Rinus Knijn langs en nodigde hem uit om ook eens op de Nachtegaal te komen kijken. Daarmee begon zijn verbintenis met de molen in de Beemster. Vanaf dat moment assisteerde hij zaterdags op de Nachtegaal en zondags in de Schermer. Vanaf april 1984 stopte Fred met het draaien met de Nachtegaal, omdat hij een van de vrijwilligers was die vanaf dat moment de restauratie van de in 1983 verbrande bovenmolen G begeleidde.

Fred blijkt veel te weten over de Nachtegaal en de watermolens die eens de Beemster hebben droogggemalen. Als hij op zijn praatstoel zit brandt hij los.

In de periode 1877-1885 werden er in de Beemster drie stoomgemalen in gebruik genomen om de windbemaling die, vergeleken met de molens in de Schermer, niet optimaal functioneerde, te vervangen. De bestaande watermolens verloren in die periode hun functie, maar werden stand by gehouden tot 1880. Toen de stoomgemalen voldoende betrouwbaar bleken te zijn werden de molens tussen 1883 en 1888 opgeruimd en in die periode meestal in onderdelen verkocht, omdat op dat moment in het land nog een levende handel in “molenoccasions”mogelijk was. In 1888 werd de laatste molen gesloopt.

Het bijzondere aan De Nachtegaal is dat in de molen nog de nodige onderdelen zijn verwerkt van de Beemster watermolens. Op de website Poldersporen veronderstelt Michiel Hooijberg dat het spoorwiel in de korenmolen De Nachtegaal hoogstwaarschijnlijk een onderdeel is geweest van de rond 1884 gesloopte Kilmolen De Meerkat. Op het spoorwiel staat het jaartal 1704, het is hier dus opnieuw gebruikt. Het boventafelement en de kap kwamen eveneens van De Meerkat. De kap werd rond 1950 verkleind tot de huidige afmetingen. De gietijzeren bovenas, fabr. De Prins van Oranje uit ’s-Gravenhage uit 1875, kwam ook van De Meerkat.
Jan van Egmond (1893-1992) zegt hierover: De as van de Nachtegaal komt van een molen die hier achter op de bouw stond. Kees van der Lee heeft me verteld dat hij hem er zelf gehaald heeft. Het zal ongeveer 1885 zijn geweest. De Nachtegaal had oorspronkelijk een houten as.

Ook werden bij die verbouwing in 1950 de houten roeden vervangen door potroeden uit een andere Beemstermolen. Kenners zien direct aan de grotere afstand tussen de heklatten of het roeden zijn van Beemstermolens. De Beemster molens hadden per end 27 heklatten terwijl de Schermermolens met bijna dezelfde vlucht 31 heklatten per end voerden. Er is nog een foto van De Nachtegaal met deze te grote kap. De Nachtegaal staat op een diep gedeelte van de Beemster, de zogenaamde “lage kil”. Op die foto, uit maart 1945, staat het erf en de omgeving van de Nachtegaal onder water. Dit gedeelte van de Beemster werd oorspronkelijk extra bemalen door twee zogenaamde kilmolens. Vermoedelijk heeft de Bamestra hier haar sporen achtergelaten.

Fred Oudejans wist ook te vertellen dat er door de jaren heen het nodige aan het binnenwerk werd veranderd. Aanvankelijk stond er een maalstoel beneden, wellicht op een halve zolder. Om ruimte te scheppen zijn de stenen op de eerste verdieping gelegd. De deur aan de oostkant van de molen werden verbreed tot een dubbele deur en de vloer werd verlaagd tot straatniveau zodat Bijman met een vrachtwagen naar binnen kon rijden.
Cees Bijman, afkomstig uit Wognum, heeft in het Brabantse Someren het molenaarsvak geleerd. Bijman kleurde/schilderde de molen op zijn Brabants De Brabantse gewoonte om molens te schilderen in rood, wit en blauw heeft de Nachtegaal tijdelijk in zuidelijke sferen gebracht. Lichtere (witte) en donkere (groene) fases zijn in de 20e eeuw op foto’s waarneembaar. De witte variant was vanaf de restauratie van 1950 tot aan de restauratie van 1971-’72 aanwezig. Met de restauratie van 1971-1972 door de molenmakerij firma Fray uit Westzaan is de “Verzaansing” van de Nachtegaal ingetreden door het de specifieke Beemster elementen van de molen te ontnemen en het uiterlijk in een Zaanse molen te veranderen.
Rinus Knijn was een neef van Arie de Koning. En Arie de Koning zorgde ervoor dat er af en toe wat geld naar de Nachtegaal toestroomde.
Het verschil tussen de gebroeders Bijman en Knijn was gelegen in het feit dat de gebroeders Bijman loonmalers waren van de plaatselijke boeren en burgers terwijl Knijn als enthousiaste fouragehandelaar zelf tarwe inkocht en deze als meel aan klanten verkocht. De tarwe die Knijn inkocht kwam meestal bij de gebroerders Nat uit De Rijp vandaan. De gebroeders Bijman waren zuiver commercieel met de molen bezig, terwijl Rinus Knijn dit meer als hobby zag.

Jaap van der Veen
10 augustus 2011

© Copyright 2018. De Stichting tot behoud van De Nachtegaal | Colofon